Concept: Technologisch Determinisme vs Sociaal Constructivisme

Technologie lijkt een van de belangrijkste bronnen van verandering in onze maatschappij. We spreken vaak over de ‘impact’ van technologie op ons leven, en krijgen het gevoel dat we de ontwikkelingen maar amper kunnen bijbenen, en dat het niet tegen te houden is.

Maar is dat echt zo?

Techniekfilosofen denken al decennia over deze vraag na. Ideeën over de invloed van technologie zijn grofweg op een as uiteen te zetten die begint bij “technologie stuurt de menselijke geschiedenis”, en eindigt bij het tegenovergestelde standpunt: de mens stuurt de technologische geschiedenis. Deze twee standpunten noemen filosofen het Technologisch Determinisme, en het Sociaal Constructivisme.

Technologisch Determinisme

In onze maatschappij spreken we vaak over de ‘impact’ van technologie, alsof het een externe kracht is die op de maatschappij inwerkt, met een eigen willetje. Dit is het Technologisch Deterministische perspectief. Hierin wordt gesteld dat, als je naar de geschiedenis van de mensheid kijkt, je zult zien dat technologie de belangrijkste bepalende (determinerende) factor is geweest.

Vanuit dit perspectief waren grote uitvindingen, zoals bijvoorbeeld de boekdrukkunst, aanjagers van nieuwe vormen van maatschappelijke organisatie. Technologie, stelt dit perspectief, bepaalt onze sociale structuur, onze cultuur.

Technologisch deterministen zijn te herkennen aan uitspraken als:

  • “De impact van technologie”
  • “Technologie is neutraal”
  • “Het is niet tegen te houden”
  • “Een beter milieu begint bij efficiëntere technologie”
  • “Dit nieuwe platform zal de manier waarop mensen samenwerken voor altijd veranderen”
  • “Digitale technologie maakt ons kantoor papierloos”

Vaandeldragers zijn mensen als Kevin Kelly, oprichter van Wired. Hij schreef het boek met de meest Technologisch Deterministische titel aller tijden: “What Technology Wants”.

WIKIPEDIA Op Wikipedia kun je lezen over de harde en zachte variant van dit standpunt.

Sociaal Constructivisme

Sociaal Constructivisten staan aan de andere kant van de as. Zij stellen dat technologie geen ‘natuurkracht’ is, maar een cultureel product. Mensen die keuzes maken bepalen hoe de maatschappij zich ontwikkelt. Zij bepalen ook welke technologie zij toelaten in de maatschappij, en welke niet. Als voorbeeld dat technologie wel degelijk te stoppen en te sturen is wijzen ze op de manier waarop de maatschappij atoomenergie afwees, en de manier waarop we nu in zonne-energie investeren.

Vanuit dit perspectief is de uitvinding van de boekdrukkunst het gevolg van een hernieuwde maatschappelijke interesse in kennis. Sociaal constructivisten zullen als aanjager altijd een sociale machtsstrijd aanwijzen, in dit geval tussen de kerk en de burger.

Hoewel we technologie bewust kunnen sturen, zoals in het geval van kernenergie, doen we dat vaker onbewust. Een voorbeeld is de opkomst van SMS, dat ‘per ongeluk’ populair werd. Voor een technologisch determinist was na telefonie videobellen een logische volgende stap geweest, omdat ze de logische technologische opvolger is. Maar videobellen werd een flop, en SMS werd mateloos populair. Vanuit de menswetenschappen gezien is deze ontwikkeling niet zo verrassend, omdat daar de theatrale aspecten van identiteitsconstructie bekend zijn. Met SMS kun je rustig nadenken over hoe je je presenteert aan de ander. Het was niet de logisch opvolgende technologische stap die werd gezet, maar een opportunistische menselijke stap.

Een blinde vlek van de Technologisch Deterministen, stelde de Sociaal Constructivisten, is dat ze in de val trappen om de geschiedenis als een opeenvolging van logische stappen uit te leggen. Wanneer we van een afstand de geschiedenis in kijken, stellende ze, wordt het makkelijk om alle door de mensheid afgekapte ontwikkelingen niet te zien. We herinneren ons alleen de succesverhalen. Daardoor lijkt het alsof ontwikkelingen zich logischerwijs opvolgden, in een onvermijdelijke mars naar de betere toekomst. Dat is een vertekening van de realiteit, stellen Sociaal Constructivisten. Wie goed kijkt zal zien dat erin de eeuwen ervoor ook al experimenten met boekdrukken gedaan werden, maar dat die zaadjes niet niet in rijpe aarde vielen. Deze niet doorontwikkelde of vergeten ‘zijtakjes’ van de technologische geschiedenis worden onderzocht door media archeologen.1

Sociaal Constructivisten zijn later ook bekritiseerd om hun eigen blinde vlek. Sociaal Constructivisten zullen bij de analyse van technologische ontwikkelingen altijd proberen te achterhalen welke maatschappelijke groep erachter zit. Is die eenmaal ontmaskerd, dan is het werk klaar. Als Facebook is ontmaskerd als neo-liberaal project, dan is het werk gedaan.

Sociaal Constructivisten zijn te herkennen aan uitspraken als:

  • “De invloed van technologie”
  • “Technologie is nooit neutraal”
  • “Daar kunnen we wel iets tegen doen!”
  • “Nee tegen kernenergie!” (en ja tegen zonne-energie)
  • “Wie heeft er voordeel bij de verspreiding van dit idee?”

Een belangrijke Nederlandse grondlegger van deze zienswijze is Wiebe Bijker, die meeschreef aan het destijds (1987) baanbrekende boek “The Social Construction of Technological Systems”.

WIKIPEDIA Lees over de Social Construction Of Technology, en de harde en zachter variant.

BOEK The Social Construction of Technological Systems.

LEZING van Wiebe Bijker waarin hij aangeeft dat zijn ideeën nu genuanceerder zijn.

De waarheid ligt in het midden.

Je voelt ‘m aankomen: de waarheid ligt waarschijnlijk ergens in het midden, en is vooral veel complexer dan deze vrij extreme standpunten. De opkomst van de boekdrukkunst en een hernieuwde interesse in de klassieke oudheid gingen bijvoorbeeld gezamenlijk op.

Technologie heeft zeker een ‘eigen’ vormende invloed, doordat ze bepaalde vormen van kennisverspreiding of het vormen van groepen moeilijker of makkelijker maakt. Maar technologie zou nooit als neutraal aangemerkt mogen worden omdat ze niet los kan worden gezien van mensen en hun politiek. In elke technologie is ooit geïnvesteerd, en bij die keuze is toen in iets anders niet geïnvesteerd; wel een manhattan project voor kernsplitsing (want daar kun je een bom mee maken), en niet voor kernfusie.

Deze complexe positie wordt door meerder wetenschappelijke stromingen onderzocht. Nederlandse filosofen als Jos de Mul noemen dit het Technologisch Interactionisme. De Franse filosoof Bruno Latour stond aan de wieg van een andere tussenvorm, de ‘Actor Network Theory’. Daarin stelt hij dat het moeilijk is om hierover te generaliseren, en dat wetenschappers eigenlijk als een soort onderzoeksjournalisten moeten uitpluizen hoe de ontwikkelingen werkelijk plaats vonden. Welk rol menselijke drijfveren speelden, welk invloed de technologische middelen en beperkingen speelden, en zelfs welke rol toeval speelde. Het is elke keer anders.

Het ontwikkelingen van genuanceerde perspectieven op de wisselwerking tussen technologie en mensheid vergt kortom veel kennis, tijd en geld.

Waarom het determinisme domineert

Diepgravende, complexe, nuchtere technologie beoordeling is een expertise op zich, en is daardoor vrij zeldzaam onder beleidsmakers. In de praktijk lijkt het Technologisch Determinisme nog altijd het dominante perspectief.

Dat dit perspectief onder technologen het populairst is, dat zal niemand verbazen. Het bijzondere is dat ook de meeste beleidsmakers en burgers liever aan de technologisch deterministische kant het spectrum kamperen. Terwijl je vooral van beleidsmakers zou verwachten dat ze liever ze ‘mensen zijn de baas’ standpunt zouden innemen.

Hoe kan dat?

Er zijn een aantal redenen voor te bedenken:

  • De open deur: ontnuchterende praktische kennis ontbreekt. Zo zal een ICT-er bijvoorbeeld snel door beloftes over de ‘perfecte beveiliging’ van het elektronisch patiëntendossier  heen prikken. Maar zonder kennis zal zo’n belofte minder argwaan wekken.
  • Het gebrek aan echte kennis zorgt er vooral voor dat we in discussies leunen op slecht passende metaforen. Maar die volstaan niet zodra de problematiek complex wordt. Het internet is geen ‘electronische snelweg’, en ook geen ‘cloud’. Het denken in metaforen maakt framing ook te belangrijk: wie de metafoor bepaalt, die heeft de discussie al half gewonnen.
  • De technologie wordt verpakt in aantrekkelijke narratieven. Bedrijven die deze technologieën produceren, verspreiden tegelijkertijd ook verhalen over hoe die technologieën de wereld zullen verbeteren. “Het internet brengt democratie! De 3D-printer brengt de maak-econonomie terug!“.
    De huidige ontwikkelingen rondom de slimme stad vormen een mooie casus, omdat in die narratieven de meerwaarde voor de burger vaak wordt aangehaald, maar de voorzienbare risico’s niet. De potentie voor verregaande surveillance en de commercialisering van het publieke domein blijven onderbelicht.2
  • We willen het graag geloven. Ieder mens droomt van een betere wereld. Nu religie en politiek niet langer het canvas zijn waarop die dromen worden geprojecteerd, wordt de hoop steeds meer op technologie gevestigd. Dit kan zelfs religieuze proporties aannemen.
  • De naïviteit wordt op de korte termijn niet bestraft. De nadelige gevolgen van het Technologisch Deterministisch denken komen pas later, waardoor we een tijd lang ethisch gezien ‘op de pof’ kunnen leven. De goudkoorts rondom data is hier een goed voorbeeld van. De waarschuwingen voor de schadelijke gevolgen van data verzameling en gedragsprofilering worden niet goed opgepakt omdat ze nog niet goed invoelbaar zijn. Lessen uit het verleden worden, met Duitsland als uitzondering, niet geleerd.
  • Een deel van het vermogen van technologie om regulering en de opkomst van kritische normen te omzeilen van technologie ligt in de framing als natuurkracht, als iets dat magisch buiten onze maatschappij staat. De ‘Wet van Moore’ wordt bijvoorbeeld als een haast natuurkundige wet neergezet, die technologische vooruitgang onvermijdelijk maakt. Daardoor kunnen ontwikkeling zoals het internet of things zich een air van onontkoombaarheid aanmeten, als een vanzelfsprekend volgend station. 3
  • Technologische creaties liften mee op de goede naam die de wetenschap heeft opgebouwd. Het woord ‘data’ heeft een positieve lading, en impliceert een mate van objectiviteit. Technologische producten plukken daar de vruchten van. De meest lucratieve data is echter helemaal niet objectief.
  • De troefkaart als het om technologie gaat is echte het idee dat technologie ‘neutraal’ zou zijn. Van zelfs de meest praktische implementaties wordt nog zonder blozen gesteld dat ze ‘neutraal’ is. Facebook claimt bijvoorbeeld slechts een neutraal platform te zijn dat geen verantwoordelijkheid draagt bij de verspreiding van Nep Nieuws. Wanneer Uber het negeren van regels wordt verweten, stelt ze ‘slechts’ een technologiebedrijf te zijn, een neutraal platform. Iets dat neutraal is, is de implicatie, hoef je niet te reguleren. Deze manier van kijken creëert een imbalans: positieve gevolgen worden aan de aard van technologie toegedicht, terwijl negatieve gevolgen worden aangeduid als het gevolg van menselijk misbruik. De arabische lente werd zo geframed als een natuurlijk en onvermijdelijk resultaat van de opkomst van de opkomst van sociale media platforms. Maar Nep Nieuws, dat een negatief effect heeft op het democratisch proces, dat wordt zo snel mogelijk uitgelegd als de schuld van ondeugende mensen die het neutrale platform misbruiken.
    Dit schisma verklaart ook waarom je in gesprek met een ICT-er het ene moment samen kunt klagen over de schandalige hoeveelheid datalekken, en je het volgende moment hoopvolle verhalen kunt horen over het Internet of Things. Negatieve gevolgen worden altijd neergezet als een corrumpering van een in principe goede, neutrale technologie.
  • Effectieve regelgeving wordt ook verminderd doordat technologische systemen zich ondertussen verregaand met de beleidsmakende en uitvoerende macht hebben verweven. Technologie wordt gezien als een snellere, effectievere manier van gedragsbeïnvloeding, terwijl wetgeving en beleidsvorming trage processen zijn. “Je moet ons niet reguleren, je moet ons zelf inzetten! Bouw gewoon een app!” lijkt het devies. Technologie kan natuurlijk ook zeer effectief zijn. Echter, wanneer beleidsmakers technologie als beleidsmiddel omarmen zullen ze minder snel de technologie bekritiseren.
    Er wordt een ook prijs betaald voor de snelheid: waar politieke en juridische processen relatief transparant zijn, is programmeercode dat zelden. Ze blijft vaak eigendom van de commerciële partners. Hiermee is een stuk bestuurlijke transparantie in het geding.

Samengevat:

  • We hebben simplistische denkbeelden. Omdat kennis ontbreekt werken beleidsmakers vooral met metaforen, en die dekken de lading niet goed.
  • De kennis wordt niet verdiept omdat allerlei denkbeelden in de weg zitten, zoals het geloof in een zelf-corrigerende markt, ons vertrouwen in de wetenschap, en:
  • We willen het zo graag! Technologie geeft ons hoop door een maakbare maatschappij te beloven. Hier speelt Silicon Valley op in: ze verpakt haar technologie in optimistische verhalen.
  • Dat deze optimistische verhalen eigenlijk naïeve verhalen waren die nuchtere regulering afremden, dat blijkt pas veel later.
  • Tegen die tijd zijn de markt en de overheid verregaand vereenzelvigd met de technologie, wat regulering nog lastiger maakt.

Self-fulfilling prophesy

De dominantie van het Technologisch Deterministische wereldbeeld leidt tot een flink aantal paradoxen.

In de praktijk ontstaat er allereerst een self-fulfilling prophesy: als de meeste beleidsmakers geloven dat technologie niet te stoppen of te sturen is, dan zal er ook geen afremmende beleid (regulering) tot stand komen. Daarvoor ziet het er ook echt uit alsof technologie een niet bij te sturen (laat staan tegen te houden) natuurkracht is.

De waarde van het Sociaal Constructivistische perspectief is dat ze die cyclus doorbreekt door te wijzen op de enorme invloed van menselijke verlangens, ideologie en wispelturigheid. Het breed gedeelde waanbeeld dat technologie neutraal zou zijn maakt haar ironisch genoeg tot de ideale plek om verlangens, ideologie en wispelturige dromen te verwezenlijken, zelfs/juist als die schadelijke gevolgen hebben voor de samenleving. De Californian Ideology legt uit hoe in deze paradox hybrides van linke en rechtse denkbeelden kunnen ontstaan. Droombeelden als de Singularity laten zien hoe religieuze ideeën zich hier als rationele toekomstbeelden kunnen verkopen.

Zo komen we zij de laatste paradox: terwijl men vol is van de onvermijdelijke positieve gevolgen van nieuwe technologieën, wordt tegelijkertijd beweerd dat niet te voorzien is wat de negatieve gevolgen zullen zijn. De slimme stad zal ons geld besparen en wijken weer leefbaar maken, en het Internet of Things zal van ons dagelijks leven frictieloos lui-lekkerland maken, dat staat vast. Maar de beveiligingsrisico’s, machtsverschuivingen en ontmenselijking die de digitalisering zal brengen die worden te vaak als onvoorspelbaar weggezet. Terwijl het eigenlijk andersom is: menselijk misbruik is een voorspelbare constante, terwijl belofte over de betere toekomst door technologie juist zelden zo uitpakken.

Als technologie vooruitgang bracht, dan is dat omdat mensen de scherpe randjes eraf geveild hebben. Het risico van magisch denken over technologie is dat we naar het verleden kijken en denken ‘zie je wel, het bracht vanzelf vooruitgang’, waardoor we de enorme moeite die erin is gestoken om dat mogelijk te maken onzichtbaar laten. Erger nog: door technologie als natuurkracht te framen wordt het proces van regulering afgeremd, en wordt hedendaagse technologie minder goed bijgestuurd.4

De bijdrage van het Sociaal Constructivistische perspectief is dat ze ons dat handelingsvermogen teruggeeft door technologie als menselijk product te zien. Een begrip van menselijke verlangens en een kritische blik op machtsrelaties, gekoppeld aan het besef dat technologie gestolde macht is, stelt beleidsmakers in staat om kritischer vragen te stellen. Om goed technologiebeleid te maken hoef je niet alles te weten van technologie; mensenkennis is net zo waardevol.

Zie ook: de Californian Ideology.